Nederlands 1000 · Zelfstandig naamwoord
De ruimte boven je hoofd: blauw overdag, zwart met sterren 's nachts. Voor gelovige mensen: de plek van God.
Bijvoorbeeld: De hemel is vandaag helemaal blauw.
Zo niet: In gewone gesprekken zeggen mensen vaak 'de lucht': 'De lucht is grijs.'
Notitie: sky; heaven · /də ˈɦeːməl/