Nederlands 1000 · Zelfstandig naamwoord
Eén moment dat iets gebeurt. Je telt ze.
Bijvoorbeeld: Ik ben twee keer in Parijs geweest.
Zo niet: 'Tijd' is anders. Dat zijn minuten en uren: 'Ik heb geen tijd.'
Notitie: time (occasion) · /də ˈkeːr/