Nederlands 1000 · Zelfstandig naamwoord
Iemand bij wie je je fijn voelt. Partner, bij 'mijn vriend'.
Bijvoorbeeld: Ik ga met een vriend naar de film.
Zo niet: 'Een vriend' = zomaar een vriend. 'Mijn vriend' is vaak je partner.
Notitie: friend; boyfriend · /də ˈvrint/