Nederlands 1000 · Bijvoeglijk naamwoord
Vorm van 'goed' vóór een ding of persoon. Bij de-woorden en meervoud. /ˈɣudə/
Bijvoorbeeld: Dat is een goede vraag.
Zo niet: Na 'is' blijft het 'goed': 'Het eten is goed.'
Notitie: good