Nederlands 1000 · Zelfstandig naamwoord
Kledingstuk voor je bovenlijf, vaak met knopen. Kledingstuk onder je andere kleren.
Bijvoorbeeld: Hij draagt een wit hemd naar zijn werk.
In de praktijk: In Nederland zegt men vaker 'overhemd'. Een hemd is ook iets onder je kleren. In België is 'hemd' heel gewoon.
Notitie: shirt; undershirt · /ɦɛmt/