Nederlands 1000 · Zelfstandig naamwoord
Water dat hard is geworden door grote kou. Koud, zoet toetje.
Bijvoorbeeld: In de winter schaatsen we op het ijs.
In de praktijk: Het toetje heet vaak 'een ijsje': 'Wil je een ijsje?'
Notitie: ice; ice cream · /ɦɛt ɛis/