Nederlands 1000 · Zelfstandig naamwoord
Wat je doet voor geld. De plek van je baan.
Bijvoorbeeld: Ik ga om acht uur naar mijn werk.
In de praktijk: Zeg 'op het werk' of 'op mijn werk'. Niet 'in het werk'.
Notitie: work; job · /ət ˈʋɛrk/