Nederlands 1000 · Voornaamwoord
Elk; alle, maar één voor één.
Bijvoorbeeld: Ieder kind krijgt een ijsje.
In de praktijk: Vóór een het-woord: 'ieder huis'. Vóór een de-woord: 'iedere dag'. Ook los: 'ieder voor zich'.
Notitie: each, every · /ˈidər/