Degene tegen wie je praat, met nadruk.
Bijvoorbeeld: Jij bent altijd op tijd.
In de praktijk: Bij een vraag valt de -t weg: 'jij werkt', maar 'werk jij?'
Notitie: you (stressed, informal) · /jɛi/
- hoort bij jouJij doet iets. Na een werkwoord wordt het jou: ik zie jou.
- is de vorm zonder nadruk van jeJe is kort en gewoon. Jij krijgt nadruk.