Iets lukt je; je bent er goed genoeg voor.
Het is mogelijk.
Bijvoorbeeld: Kun je het raam open doen?
In de praktijk: Vormen: ik kan, jij kunt of jij kan, hij kan.
Notitie: can, to be able to · /ˈkʏnə(n)/
- wordt vaak verward met mogenMogen gaat over toestemming. Kunnen gaat over wat lukt.