Goed zijn van maat. Met 'op': zorgen voor iemand of iets. Niet meedoen deze beurt, bij een spel.
Bijvoorbeeld: Deze broek past niet. Hij is te klein.
In de praktijk: 'Ik pas op de kinderen' betekent: ik zorg voor ze. 'Pas op!' betekent: let op, gevaar.
Notitie: to fit; (passen op) to look after; to pass · /ˈpɑsə(n)/