Staat voor een heel werkwoord, na werkwoorden als 'proberen', 'vergeten' of 'beginnen'. Meer dan goed is.
Bijvoorbeeld: Ik vergeet altijd brood te kopen.
Zo niet: Na 'kunnen', 'moeten' en 'willen' komt geen 'te'. 'Ik kan zwemmen', niet 'ik kan te zwemmen'.
In de praktijk: 'De soep is te heet' betekent: zo heet dat je hem niet kunt eten.
Notitie: to (before a verb); too · /tə/