Nederlands 1000 · Werkwoord
Je huis hebben op een plek. Daar slaap en eet je.
Bijvoorbeeld: Ik woon in Utrecht.
Zo niet: 'Leven' is anders: bestaan, niet dood zijn. 'Ik woon hier', niet 'ik leef hier'.
Notitie: to live (reside) · /ˈʋoːnə(n)/