Nederlands 1000 · Voornaamwoord
Wijst naar iets verder weg, bij een het-woord. Staat los voor een ding of een situatie. Begint een nieuw stuk zin na woorden als 'zeggen' of 'denken'.
Bijvoorbeeld: Dat boek op de tafel is van mij.
Zo niet: Bij een de-woord zeg je 'die'. 'Die fiets', niet 'dat fiets'.
In de praktijk: Na 'dat' staat het werkwoord aan het eind: 'Ik denk dat hij komt.' Los: 'Dat is leuk.'
Notitie: that · /dɑt/