Nederlands 1000 · Bijvoeglijk naamwoord
Vrolijk en blij met je leven. Wat fijn; met geluk.
Bijvoorbeeld: Ze zijn al veertig jaar gelukkig samen.
In de praktijk: Aan het begin van een zin: 'Gelukkig regent het niet.'
Notitie: happy; fortunately · /ɣəˈlʏkəx/