Ergens heen gaan en iets of iemand terug meenemen. Op tijd zijn voor de bus of trein. Een toets of examen goed doen.
Bijvoorbeeld: Ik haal de kinderen om drie uur van school.
Zo niet: 'Brengen' is de andere kant: dan neem je iets mee naar een andere plek.
Notitie: to fetch; to catch (a train); to pass (an exam) · /ˈɦaːlə(n)/