Wijst een bekend ding aan, bij een het-woord. Alleen bij één ding, nooit bij twee. Staat los voor een ding of een situatie waar je het over hebt.
Zie het zo: Leer elk nieuw woord samen met 'de' of 'het'. Net als een voornaam met een achternaam.
Bijvoorbeeld: Het huis van mijn oma is oud.
In de praktijk: Het losse 'het' hoor je ook in vaste zinnen over het weer en de tijd: 'Het regent.' 'Het is laat.'
Notitie: the (neuter singular); it · /ɦɛt/