Nederlands 1000 · Voornaamwoord
Van hen; bezit van een groep. Aan hen, na een werkwoord.
Bijvoorbeeld: De buren zijn weg. Hun auto staat niet voor de deur.
In de praktijk: 'Ik geef hun een boek' betekent: aan hen.
Discussie: Veel mensen zeggen 'hun hebben', en in de les is dat fout.
Notitie: their; (to) them · /ɦʏn/