Vorm van 'kunnen' bij ik, hij en zij. Iets lukt jou. /kɑn/
Bijvoorbeeld: Ik kan goed koken.
In de praktijk: Bij 'jij' zeg je 'kunt' of 'kan'. Je hoort allebei.
Notitie: can
- vaak verward met mogenMogen gaat over toestemming. Kunnen gaat over wat lukt.