Nederlands 1000 · Voorzetsel
Samen met iemand of iets. Met behulp van een ding of een vervoermiddel.
Bijvoorbeeld: Ik eet soep met een lepel.
In de praktijk: Bij vervoer: met de fiets, met de trein. Alleen lopen is anders: 'te voet' of 'lopend'.
Notitie: with · /mɛt/