Nederlands 1000 · Voornaamwoord
Eén vrouw of meisje, zonder nadruk. Een groep mensen of dingen, zonder nadruk. Die vrouw of die groep, na een werkwoord of voorzetsel.
Bijvoorbeeld: Mijn ouders bellen vaak. Ze wonen ver weg.
In de praktijk: Het werkwoord laat zien of het één of meer is: ze is, ze zijn.
Notitie: she; they; them (unstressed) · /zə/