Binnen de grenzen van een ruimte, gebouw of plaats. Binnen een maand, een jaar of een seizoen.
Bijvoorbeeld: Mijn sleutels zitten in mijn tas.
In de praktijk: Bij maanden en jaren zeg je 'in': in juni, in 2020. Bij dagen zeg je 'op': op maandag.
Notitie: in · /ɪn/